Laatst las ik in NRC een interessant gedachte-experiment: Wat als we elkaar allemaal kunnen verstaan? Met andere woorden: wat gebeurt er als we alle taalkloven definitief kunnen dichten? Ik vond het een interessant artikel (zie: https://www.nrc.nl/nieuws/2018/09/28/wat-als-iedereen-elkaar-kan-verstaan-a1863971), maar wel een met een onverbloemd rooskleurige inhoud en een conclusie waarbij belangrijke aspecten niet werden meegewogen.

De strekking in een notendop: over een jaar of tien zou de mens dankzij taaltechnologisch vernuft voor eens en voor altijd de taalkloof kunnen dichten. Of het nu om Engels-Nederlands of IJslands-Urdu gaat, onze soort gaat met allerlei verfijnde foefjes tekst en geluid vertalen – en dat nog accuraat, vloeiend en zonder vertraging ook. Dus terwijl ik een gesprek voer, kan mijn anderstalige gesprekspartner moeiteloos volgen wat ik zeg. De ultieme bevrijding van taal.

Klinkt dat te mooi om waar te zijn? Moet ik, vertaler, tekstschrijver en vertaaldocent van beroep, me snel gaan laten omscholen? Ik kan het me niet voorstellen. Net zoals we ons tegenwoordig aan technologie vastklampen als dé oplossing voor de wereldwijde sores die we ten dele zelf hebben veroorzaakt, leeft in Silicon Valley de overtuiging dat de taalkloof – een ‘probleem’ – te overbruggen valt door ’m met innovatieve oplossingen vol te storten. Maar wat mij betreft is dat weinig meer dan zelfbevlekking door het vooruitgangsdenken. Technologie gaat de taalkloof alleen ‘oplossen’ als we bereid zijn om onze taal tot een woordensoep te laten verwateren.

Maar stel, het kan wel

Misschien heb ik het mis. Een mooi moment voor een tweede gedachte-experiment. Stel, er komt een technologisch hoogstandje, aangezwengeld door algoritmen, neurale netwerken en AI, dat je inderdaad kunt gebruiken om gesprekken vloeiend te vertalen, zonder dat de inhoud geweld wordt aangedaan. Wat moet zo’n systeem kunnen?

Allereerst moet het voor menselijke fouten kunnen compenseren. In een gesprek verhaspel ik woorden, haal ik spreekwoorden door elkaar en maak ik niet altijd even vloeiende volzinnen. Ik ben immers geen machine en maak daardoor fouten. Wil de technologie communicatie perfect kunnen vertalen, dan moet het bronmateriaal – de input, onze woorden – dus feilloos zijn. Maar fouten maken we helaas allemaal. Dat valt op straat te horen en op internet te lezen.

Wie weet kruid ik mijn tekst graag met een snufje sarcasme of kies ik woorden die een speciale lading dragen. Iemand kan ‘slim’ en een ‘slimmerik’ zijn, maar die twee hoeven zeker niet hetzelfde te betekenen. En ‘Vanavond eten we een konijntje’ klinkt vergeleken met ‘Vanavond eten we konijn’ haast luguber en moordlustig. Als de machine dat niet doorheeft, wordt er een compleet verkeerde boodschap overgebracht.

Daarnaast moet het systeem ook met met andere werktalen dan het Engels uit de voeten kunnen en niet meer sjoemelen door bij minder gangbare talencombinaties het Engels als ‘tussentaal’ in te zetten. Google Translate kan inmiddels niet al te complexe zinnen vanuit het Nederlands naar het Engels vertalen, maar vanuit het Zweeds naar het Nederlands slaat de technologie de plank mis, en flink hard ook. Vertaaltechnologie leert vertalen door hele corpora tot zich te nemen, maar bij de ‘kleinere’ talencombinaties ontbreekt de enorme hoeveelheid tekst die de technologie moet verslinden om er ook maar enigszins chocola van te kunnen maken.

Cultuur, imago en aansprakelijkheid

Er zijn dus nog wel wat technische mankementjes die moeten weggewerkt, maar wie weet komt er ooit toch nog een AI-doorbraak waarmee de vertaalmachine bliksemsnel nieuwe talen kan assimileren en menselijke foutjes leert te doorgronden. Hebben we taal dan eindelijk gekraakt?

Niet helemaal. Iedere taal is verankerd in cultuur en dat merk je pas echt als je met buitenlandse mensen praat. Als ik een idee aan een Brit voorleg en die antwoordt met ‘Not bad, we’ll consider it’, knijp ik zelfvoldaan in mijn handjes, terwijl mijn Britse metgezel het idee al lang en breed heeft verworpen. En wat te denken van de befaamde Nederlandse botheid? Hoe moet een apparaat die ooit kunnen rijmen met de Japanse beleefdheid of het Amerikaanse enthousiasme?

In het NRC-artikel wordt gesproken van een speciale knop – ‘cultureel vertalen’ – waarmee dat probleem als volgt wordt verholpen: “De computer stopt een paar beleefdheden in een zin als je met een Japanner aan tafel zit, of strooit hier en daar wat bedekte termen in de mix in gesprek met een Brit.” Daarmee wordt cultuur, de fundering van de beschaving, afgedaan als een reddeloze dodo die je met een hagelschot van platitudes en passe-partouts uit de weg kunt ruimen.

En dan is er nog je imago. Menig groot bedrijf schrijft duimdikke stijlgidsen waarin tot op microniveau wordt uitgelegd welke woorden het bedrijfsblazoen doen fonkelen en welke er alleen maar deuken in slaan. Kennelijk is consistent communiceren een kunst. Ook vandaag de dag is er geen enkel serieus bedrijf dat zijn zakelijke communicatie aan Google Translate en DeepL durft toe te vertrouwen. Zou jij het wel durven met een intieme e-mail, een gesprek met een arts of een woordenwisseling met je nieuwe baas? Straks sla jij een modderfiguur omdat het systeem niet de emoties kan interpreteren die achter je woorden schuilgaan.

Wie is er eigenlijk verantwoordelijk voor als we onze interculturele communicatie aan zelflerende algoritmen toevertrouwen, terwijl die er nogal een potje van blijken te maken? Het aanstekelijke enthousiasme waarmee bedrijven zich de wereld van taal proberen toe te eigenen, doet je soms vergeten dat al die gratis technologie is opgehangen aan een kapstok van keiharde commerciële belangen. We hebben door sociale media al een stuk van de maatschappij naar een commerciële omgeving verhuisd. Willen we dat met taal ook gaan doen?

Het grootste euvel

De vertaalbranche is niet de enige die zucht onder de dreigingen van de automatisering. Neem nu de transportsector, die dankzij de zelfrijdende auto met het hoofd op het hakblok ligt. Hoelang duurt het nog voordat de autorijdende mens helemaal buitenspel wordt gezet?

Nog heel lang, want er is één euvel dat zich niet laat verhelpen: kwaliteitscontrole. Niemand zou een kind van vijf achter het stuur van een zelfrijdende auto durven te plaatsen, omdat het bij een rekenfoutje van de software niet zelf kan ingrijpen om een correctie uit te voeren. Daar gaat kleine Pieter, met 130 kilometer per uur door de bebouwde kom doordat de software van zijn bolide is vastgelopen. Sneu. Om dezelfde reden mag ook iemand van 40 zonder rijbewijs geen zelfrijdende auto bedienen. Je moet als eindgebruiker in staat zijn te herkennen wanneer het resultaat ondermaats is en door kundig ingrijpen brokken kunnen voorkomen.

Bij een auto merk je zo of de prestaties tegenvallen. Als er ineens een lantaarnpaal op de bijrijdersstoel zit of je met je wagen bloedrode strepen over het asfalt trekt, gaat er duidelijk iets mis. Maar bij taal? Het is nog altijd onmogelijk om de getrouwheid van een vertaling te controleren als je de brontaal niet beheerst. Vertaal een krantenartikel maar eens naar het Tsjechisch. Klopt het? Geen flauw idee!

 

Dit is een aspect waarbij de technologie blijvend tekortschiet en ons stijgende vertrouwen in technologie de zaak alleen maar verergert. Hoe meer we taal immers uitbesteden aan technologie, des te meer onze eigen taalkennis verschraalt. En laat nu juist die taalkennis onontbeerlijk zijn om broddelwerk van meesterwerk te onderscheiden.

Het lonkende onbekende

“Die Grenzen meiner Sprache bedeuten die Grenzen meiner Welt,” stelt de filosoof Ludwig Wittgenstein. Wie taal leert, begint aan een reis naar het onbekende en krijgt nieuwe perspectieven op de wereld. Natuurlijk is voorzetselrijtjes stampen (aus, bei, mit, nach, seit …) niet zo spectaculair als een gesprek met de buitenlandse liefde van je leven, maar ik durf wel te stellen dat taal leren een verrijking van je leefwereld is.

Het zou zonde zijn als toekomstige generaties minder bekend raken met de exotische allure van een vreemde taal. Wat is er immers teleurstellender dan dat je op vakantie in Spanje in je beste Spaans de weg vraagt en vervolgens in alledaags Nederland antwoord krijgt? Handig, zeker, maar soms is juist de dwaaltocht in verre landen en vreemde talen juist wat de reis zo leuk maakt. De winkelstraten lijken tegenwoordig toch allemaal al op elkaar.

Taal heeft zowaar ook voordelen voor de gezondheid. Er is bewijs te over dat meertaligheid bijzonder verkwikkend voor de grijze massa is en kan helpen om cognitieve ouderdomssymptomen te verlichten. Wil je jezelf tegen alzheimer beschermen, dan is het helemaal niet zo’n gek idee om er een taal bij te leren.

Dat de techtovenaars in Silicon Valley mensentaal net zo wereldwijd eenvormig willen maken als programmeertaal, is prima, maar wat mij betreft mogen we ons niet door technologische ambitie laten verblinden. Het moment waarop taal daadwerkelijk wordt geautomatiseerd, is geen overwinning, maar een nederlaag.