Een tijdje geleden ben ik naar Hidden Figures geweest, een film over vrouwelijke rekenwonders die bij NASA werken. De drie hoofdpersonen breken zich niet alleen het hoofd over allerlei gruwelijk ingewikkelde berekeningen, maar strijden ook voor hun rechten en behandeling in een sector waar mannen het ontegenzeggelijk voor het zeggen hebben.

Wat me, afgezien van de mooie verhaallijn, heel sterk is bijgebleven, is een vrij miniem detail: de naam van de functie die de vrouwen in de film bekleden. Ze werken namelijk als computers, wat in de ondertitels was vertaald als rekenaars. In de context van Hidden Figures was dit een prima keuze. The computers computed, de rekenaars rekenden.

De film gaf me stof tot nadenken. Stel je voor dat je een moderne computer een rekenaar noemt: daar krijgt menig Nederlander alleen maar de slappe lach van. Of dat je hardware voortaan als harde goederen of hardwerk beschrijft. En de cloud? Kunnen we daar de ‘wolk’ van maken?

Met zulke taalvoorstellen stuit je al snel op weerstand. Een rekenaar klinkt voor velen alsof je computerkast vol telramen zit. Harde goederen zijn toch echt eerder baren staal of platen beton dan de inhoud van die brommende bak onder je bureau. De cloud is een groot serverpark in een beveiligde bunker met klimaatregeling. Dat kún je gewoon echt geen wolk noemen!

Toch kan het in andere talen wel. De Spanjaarden noemen de cloud gewoon la nube: de wolk. De Duitsers werken op een Rechner, de Fransen op een ordinateur, de Zweden op een dator. De Duitsers hebben geen interface, maar een Schnittstelle, terwijl de Spanjaarden het over een interfaz hebben. Een tablet (op z’n Engels uitgesproken dus) heet in Zweden een surfplatt. Hoe grappig zou het zijn als wij een tablet gewoon tot surfplank hadden omgedoopt? Je had een briljante marketingcampagne aan dat woord kunnen ophangen, met Australische surfdudes die surfend op het water surfen op het web.

Uiteraard hoor je ook in die landen weleens Engelse leenwoorden langskomen, maar ze hebben er in ieder geval de keuze. Al die technologie is voor ons kennelijk zo vervreemdend dat we de nuances alleen in woorden uit een vreemde taal kunnen vervatten.

Toch voelt het voor mij soms alsof we ons iets te veel laten beetnemen door de dames en heren marketeers van grote technologiebedrijven. Neem nu producten en diensten. Dat worden steeds vaker producten en services, waarbij je dat laatste woord dus met een onverbloemde Hollandse tongval uit je keel laat rollen, met als resultaat een niet al te smakelijke brij van f- en s-klanken: suffussus. Een ingewikkeld klinkende term met de nagalm van een geslachtsziekte.

Je kunt die opmars van het Engels gewoon een trend van deze tijd noemen, maar er zijn gelukkig toch nog zat uithoeken van de computertaal waar deze lingua franca niet is neergestreken. Wie zegt dat hij wel even de file kan saven, klinkt algauw als een digibeet of snelle manager. De harde schijf is allesbehalve een exoot, de printplaat is een doodnormaal alternatief voor de chip en menig computernerd geeft graag een godsvermogen uit aan het moederbord en de videokaart, die beide ook wel liefkozend worden afgekort tot mobo en vika. Het kán dus wel.

Ik zou er wel voor te porren zijn om juist die hoek van onze taal uit te breiden, zodat we ons voortaan kunnen bedienen van computerterminologie waarin de heerlijke nuchterheid van het Nederlands niet onder de mat wordt geschoven, maar zich in vol ornaat mag laten zien. De computer wordt een rekenkast, een app wordt een toep – van toepassing – en de USB-stick een prikgeheugen. De website wordt je webstek, cookies worden koekjes, augmented reality de aangevulde werkelijkheid.

Zou dat niet heel wat woordinflatie en turbotaal schelen?